Home > Bibliotheek > Plaats op de rijbaan

Plaats op de rijbaan

Als belangenvereniging voor motorrijders heeft MAG ervoor gezorgd dat wetgeving en verkeersveiligheid op één lijn staat. Dankzij een goede samenwerking met toenmalig Minister voor Mobiliteit Bert Anciaux en zijn kabinet  is de wetgeving op 30 april 2004 omtrent de plaats op de rijbaan veranderd.

Vanaf 2000 heeft MAG zich ingezet voor de plaats van de motorrijder op de rijbaan. Het wetsvoorstel van MAG om artikel 9.3 in het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen regelement op de politie van het wegverkeer (plaats van een bestuurder op de weg) aan te passen, baseerde zich op drie pijlers. Namelijk internationale wetgeving, rechtspraak en raadgeving.

Internationale wetgeving
In 1968 is er in Wenen een verdrag ondertekend door 70 landen dat gekend staat als ‘The Convention on Road Traffic’[1]. Onder artikel 10.3 staat dat een bestuurder, in de mate van de omstandigheden, zo dicht mogelijk aan de kant van de rijrichtingen moet rijden. Maar dat overheden specifiekere (veiligheids)regels voor de plaats op de rijbaan mogen opleggen. Verder staat in Artikel 11.5(b) dat overheden de bestuurders van fietsen, bromfietsen en motorfietsen kan vrijstellen om na het inhalen direct terug zo dicht mogelijk aan de kant van de rijrichting te gaan rijden.

Beide artikels geven dus aan dat voor bepaalde bestuurders het niet opportuun is om zo dicht mogelijk aan de kant van de rijrichting te rijden en dat overheden verdere regels hierrond kunnen specifiëren in hun wetgeving.

Rechtspraak
Juristen, advocaten, rechters en soms zelf politici interpreteren de wet. Zo zijn er menig uitspraken van het Hof van Cassatie die motorrijders in fout stellen omdat ze (zoals toen wettelijk bepaald was) niet zo rechts mogelijk op het rijvak reden. Hoewel andere deze verplichting niet zo letterlijk nemen en dat het ‘uiterst rechts rijden’ beoordeeld moet worden in functie van de omstandigheden. Zo is de staat van het wegdek een uitzonderlijke situatie (putten, spoorvorming, aanwezigheid grind, wegmarkeringen, weersomstandigheden, … ), maar bestond hier wettelijk geen regeling rond. Hierover zijn verschillende uitspraken geweest, en vragen en antwoorden van de minister geweest. De interpretatie van de wet, verkeersveiligheid en context was sterk afhankelijk van de persoon in kwestie.

Raadgeving
De mening van de politie, rijscholen, opleidingscentra en het BIVV (Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid) zit allemaal op dezelfde lijn. Alle instanties raden motorrijders aan  om ‘defensief’ te rijden. Als motorrijder moet je rekening houden met de rijbaan, de snelheid en andere weggebruikers en je eigen plaats aanpassen naar gelang de situatie. Er worden heel wat tips gegeven en in alle gevallen is zichtbaarheid van de motorrijder en het zien van andere weggebruikers hierin het belangrijkste. Voor motorrijders moet het wettelijk (zo rechts mogelijk) niet te eng worden toegepast en wordt er  aangeraden om op de plaats te rijden waar normaal de automobilist zich bevindt als hij achter het stuur zit.

Conclusie
Zo ‘dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan rijden’, is in vele gevallen zelfs gevaarlijk voor motorrijders. Toenmalig Minister van Verkeer, Durant, heeft tijdens haar legislatuur de verplichting niet te letterlijk genomen en dat er mag worden beoordeeld in functie van de omstandigheden.

Ook de Weense Conventie van 1968 beschreef dat er van het zo uiterst mogelijk rijden in een bepaalde richting afgeweken kan worden, in bepaalde omstandigheden. Zeker voor motorrijders is dit het geval, omdat voor hen het aantal omstandigheden uitgebreider is dan bij andere voertuigen. Bovendien adviseerden politie, rijscholen, opleidingscentra en het BIVV om defensief te rijden en dus niet altijd uiterst rechts te houden.

Deze argumenten vormden het fundament van het wetsvoorstel. Op 30 april 2004 is het Koninklijk Besluit aangepast.

Motorrijders zijn, zoals automobilisten dus niet verplicht om zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan te rijden. Om zelf een goed zicht te hebben op het verkeer rijdt de motorrijder doorgaans op 2/3 van de rijstrook. Zo is men ook beter zichtbaar voor de rest van het verkeer en is het makkelijker om openslaande portieren van geparkeerde wagens te kunnen ontwijken.

 

Men is vrij om zelf zijn positie op een rijbaan te kiezen en deze aan te passen. Zijn positie binnen de rijstrook veranderen wordt niet als een manoeuvre beschouwd en moet niet met de richtingaanwijzers aangekondigd worden. Het is echter wel verboden om achteropkomende bestuurders te hinderen die een inhaalmanoeuvre gestart zijn.

 

Een overwinning van MAG.

 

[1] www.unece.org/fileadmin/DAM/trans/conventn/crt1968e.pdf